|
Ode tijdschrift: Voedsel
Ode is het opinietijdschrift met
het nieuws van morgen. Ode zoekt de denkers die nieuwe vragen
stellen en speurt naar mogelijkheden en visies die de samenleving
vooruit helpen.
Voedsel
Eten is een politieke daad geworden. Want voedsel is meer dan wat er
op het bord ligt. Vele miljoenen boeren wereldwijd zijn betrokken in
de productie. Maar de agrarische industrie heeft deze boeren steeds verder
in de armoede - en honger - gedrukt. Grootschaligheid en excessief gebruik
van bestrijdingsmiddelen en kunstmest hebben het milieu en de gezondheid
van boeren ernstig aangetast. Over de politieke gevolgen van uw dagelijkse
voedselkeuze.
Marco Visscher introduceert de berichtgeving over voeding.
Inhoud:
Fatale oogst
Terwijl voldoende voedsel wordt geproduceerd, lijdt een groot deel van
de wereldbevolking aan honger. Intussen nemen in het Westen welvaartsziekten
toe vanwege ongezonde voeding. Ode ging op onderzoek uit en verhaalt
over de verwoestende mythen van de moderne landbouw.
Slappe hap
Goed, dus de industriële landbouw heeft niet goed uitgepakt.
Maar wat betekent dat nu voor de consument? Voor zijn gezondheid
en zijn emancipatie?
Genieten van eten
Rob Baris, eigenaar van delicatessenzaak Z&M
en het befaamde restaurant Zinc in Rotterdam, is levensgenieter
zonder dogma's. Voor lezers van Ode stippelt hij een
actieplan uit: een menu van heerlijk eten, dat ook nog
gezond en sociaal is.
Begin
een revolutie aan uw eettafel
De boodschappenlijst die de wereld
vooruit helpt, loopt onder meer langs
lokale, biologische boeren, fair-trade-producten
en vitaminesupplementen. Enkele ingrediënten
van een actieplan.
Mythe 1: Industriële
landbouw zal honger beëindigen
Niet waar, want: honger wordt niet
veroorzaakt door gebrek aan voedsel,
maar door armoede.
Mythe 2: Industriële
voeding is veilig, gezond en voedzaam
Niet waar, want: industriële
landbouw laat schadelijke bestrijdingsmiddelen
achter in groenten en fruit met, maakt
boeren en consumenten ziek en voegt antibiotica
en groeihormonen toe.
Mythe 3: Industrieel
voedsel is goedkoop
Niet waar, want: sociale kosten en
de kosten van schade aan milieu en gezondheid
worden niet in de prijs doorberekend.
Mythe 4: Industriële
landbouw is efficiënt
Niet waar, want: kleinschalige boerderijen
produceren meer landbouwproducten per
hectare.
Mythe 5: Industriële
voeding biedt meer keuze
Niet waar, want: de supermarkt biedt
alleen de illusie van keuze.
Mythe 6: Biotechnologie
lost de problemen van industriële
landbouw op
Niet waar, want: biotechnologie biedt
geen antwoord op deze problemen.
Inleiding
Op de vraag waar melk vandaan komt,
schijnt de meerderheid van stadskinderen
te zeggen: 'Uit de supermarkt.' Ik wist
toevallig dat het iets anders lag, omdat
mijn grootouders een boerenbedrijf met
koeien hadden. Maar toch, veel meer dan
een genetische band met het boerenleven
heb ik nooit gehad.
Reizen door Zuid-Amerika en Azië maakte me weer betrokken bij de
landbouw. De gesprekken met boeren die vertelden over hun gezondheid
en hun financiële crises vanwege de 'moderne' landbouw raakten me
diep. Het werd me duidelijk wat de afgrijselijke gevolgen van bestrijdingsmiddelen
zijn voor de boeren die er mee moeten werken. Thuisgekomen wist ik de
weg naar de natuurvoedingswinkel vaker te vinden dan voorheen.
Aan Ode's leestafel - waar honderden tijdschriften binnenkomen - leek
intussen een epidemie aan schokkende artikelen over voedsel te zijn uitgebroken.
Over supermarkten die boeren niet fatsoenlijk betalen, over Indiase pakhuizen
vol rijst terwijl de bevolking honger heeft, over nieuwe subsidies voor
Europese boeren, over misvormde baby's in gebieden waar veel landbouwchemicaliën
worden gebruikt, over zelfmoord als voornaamste doodsoorzaak onder Amerikaanse
boeren, over het tekort aan voedingsstoffen in groenten en fruit. Hadden
die verhalen uiteindelijk niet iets met elkaar te maken?
Ik zal u het antwoord verklappen: ja. Tijdens mijn onderzoek voor Ode
naar de misstanden van de moderne, industriële landbouw heb ik ontdekt,
dat voedsel niet wordt gemaakt voor mensen, maar voor de vrije markt.
In de geschiedenis van onze omgang met eten is dat niets minder dan een
dramatische omwenteling.
Op de volgende pagina's staat het verhaal van de moderne landbouw, dat
niet wordt vermeld op de kassabon van de supermarkt. Het schrijven ervan
heeft mijn eetgewoonten voor altijd veranderd.
Marco Visscher
Eten is een politieke daad geworden.
Want voedsel is meer dan wat er op het bord ligt. Vele miljoenen
boeren wereldwijd zijn betrokken in de productie. Maar de agrarische
industrie heeft deze boeren steeds verder in de armoede - en
honger - gedrukt. Grootschaligheid en excessief gebruik van
bestrijdingsmiddelen en kunstmest hebben het milieu en de gezondheid
van boeren ernstig aangetast. Over de politieke gevolgen van
uw dagelijkse voedselkeuze.
Voedsel begint bij boeren - en daar hebben we er steeds minder van. Niet
verwonderlijk, want de concurrentie is moordend en strekt zich uit over
landsgrenzen. Vooral kleine boeren in ontwikkelingslanden zijn daarvan
het slachtoffer. In Brazilië bijvoorbeeld is het aantal boeren in
tien jaar tijd gedaald van 23 miljoen naar 18 miljoen, op de Filippijnen
is zelfs de helft van de graanboeren werkloos geraakt en gevreesd wordt
voor het voortbestaan van vele miljoenen boeren in Afrika en Zuid-Azië,
waar landbouw het belangrijkste middel van bestaan is.
De verdwijning van de kleine boer met zijn eigen grond valt niet toevallig
samen met de opkomst van de industriële landbouw. Grootschaligheid,
monocultuur en veel technologische en chemische toevoegingen zijn de
pijlers van deze landbouwmethode. Ze beroept zich op grote successen,
maar in werkelijkheid vormt industriële landbouw een bedreiging
voor hongerbestrijding, milieu en voedselveiligheid (zie de zes mythen
op de komende pagina's). De 'agro-industrie' is in handen van slechts
een aantal Westerse ondernemingen dat de hele voedselketen controleert:
van het zaadje tot aan de supermarkt. Zij bepalen de prijzen - en die
vallen voor boeren steeds lager uit - en hebben een hele batterij aan
lobbyisten in dienst om de internationale politiek te beïnvloeden.
Misschien wel de machtigste van die bedrijven is Cargill - en als u daar
nog nooit van had gehoord, is dit Amerikaanse familiebedrijf 'sinds 1865'
geslaagd in zijn streven naar weinig publieke bekendheid. Waarom wil
Cargill - jaarlijkse verkoopcijfers van rond de 50 miljard dollar - niet
volop in de publieke belangstelling? Mogelijk omdat het aan de wereld
vrijwel geen andere bijdrage levert dan de zelfverrijking van zo'n tachtig
familieleden die het bedrijf in eigendom hebben.
Cargill is een soort makelaar, die tegen de laagste prijzen tarwe, maïs,
sojabonen, suiker, katoen et cetera opkoopt en met de hoogste winsten
doorverkoopt. Vandaar dat Cargill een belangrijke motor was achter de
oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), die zich er voor inzet
handelsbelemmeringen voor ondernemingen weg te nemen. En waar kun je
tegen lagere prijzen inkopen doen dan in ontwikkelingslanden? Met een
handelsafdeling in het belastingparadijs van Panama ontwijkt Cargill
ook nog eens een flinke belastingheffing. Voor de familie Cargill is
globalisering een droom die is uitgekomen.
Door de industriële landbouw en globalisering die mede dankzij bedrijven
als Cargill is opgekomen, leggen landen zich voornamelijk toe op de productie
van ØØn bepaald product. Dat lijkt gunstig. Immers, economische theorieën
zeggen dat het goed is als landen zich specialiseren. Ze exporteren hun
specialiteit en met de opbrengst kunnen zij de producten kopen - importeren
- die ze niet zelf kunnen maken of verbouwen. Handel, dus. Dat is precies
wat de topeconomen van de Wereldbank en het IMF betogen. De theorie is
fraai, maar gaat mank in een wereld met ongelijke verhoudingen - zeg
maar: dØze wereld.
Een voorbeeld. Brazilië heeft zich onder druk van de Wereldbank
en het IMF toegelegd op de productie van steeds meer sojabonen. Maar
wat hebben de 16 miljoen hongerige Brazilianen hieraan als die sojabonen
worden verscheept naar Europa en Japan, waar ze voornamelijk dienen als
voeding voor runderen, varkens en kippen? Zijn de Brazilianen niet beter
af als ze voedingsgewassen voor zichzelf kunnen produceren op hun vruchtbare
grond? De hoogste prioriteit van de pas aangetreden Braziliaanse president
Lula is dat hij de honger uit zijn land wil verdrijven, maar hij zit
vast aan afspraken die zijn voorganger Cardoso maakte met internationale
instellingen. Miljoenen Brazilianen zullen nog jarenlang met een hongerige
maag in slaap vallen. Datzelfde geldt voor vele miljoenen anderen in
ontwikkelingslanden waar katoen, koffie, tabak of bloemen worden verbouwd:
luxe-producten bestemd voor export naar de Westerse wereld.
Of neem Malawi, waar de ergste hongersnood sinds tientallen jaren nog
altijd om zich heen grijpt. Het is waar, dat perioden van droogte daartoe
hebben bijgedragen, maar om zulke perioden door te komen, zijn altijd
graanreserves aangelegd. Maar onlangs heeft de regering van Malawi deze
reserves moeten verkopen. De Wereldbank en het IMF vonden het belangrijker
dat de staatsschuld werd afgelost. Dus heeft Malawi vorig jaar 70 miljoen
dollar van zijn schulden terugbetaald, op een moment dat het land afstevende
op een humanitaire rampsituatie. Gevolg: zeventig procent van de boerenfamilies
zijn in extreme armoede en honger beland. Ook nu wordt - wederom onder
druk van het IMF - op meer dan de helft van de landbouwgrond exportproducten
verbouwd.
Handel is pas een oplossing als landen gelijke kansen hebben. Voorlopig
is daarvan geen sprake. Amerikaanse en Europese boeren krijgen miljardensteun
van hun overheden, waarmee overschotten worden geproduceerd die ze goedkoop
verkopen op de buitenlandse vrije markt. Vanwege de dumpprijzen die Amerikaanse
en Europese boeren kunnen hanteren, neemt de marktwaarde af van producten
die boeren uit andere delen van de wereld maken. Concurrentievervalsing
is hier nog een sympathiek woord voor. Zoals Anuradha Mittal, mede-directeur
van Food First, zegt, treden rijke landen op als een omgekeerde Robin
Hood: stelen van 's werelds armen om de rijke industriële landbouwbedrijven
te versterken.
Voedselhulp dan? Is dat een oplossing? Helaas. Voedselhulp houdt de gevestigde
structuur overeind en zal niets veranderen aan de exportdwang. Tijdens
de hongersnood in Ethiopië in 1984 stuurde de hele Westerse wereld
voedselhulp; intussen bleef Ethiopië meer exporteren dan het aan
hulp ontving. Bovendien komt voedselhulp - evenals vele andere vormen
van ontwikkelingshulp - nauwelijks terecht bij de mensen die de steun
het hardst nodig hebben. Zelfs noodhulp eindigt niet zelden in het verstevigen
van de positie van buitenlandse ondernemingen die de nationale graanmarkt
in handen hebben.
Inmiddels hebben Amerikaanse agro-bedrijven het belang van honger ingezien.
In landen waar honger heerst, hebben zij een afzetmarkt ontdekt voor
hun genetisch gemanipuleerde voedingsmiddelen. Onlangs heeft de Amerikaanse
regering een aanbod gedaan aan Zambia: 50 miljoen dollar mits het geld
wordt besteed aan genetisch gemanipuleerde maïs uit de Verenigde
Staten en dus niet - bijvoorbeeld - aan de rijstoverschotten in India
die veel goedkoper zijn. Ook Zimbabwe, Mozambique, Lesotho en Malawi
kregen dergelijke voorstellen. Bedelaars hebben niet te kiezen, had een
woordvoerder van USAid al eens eerder gezegd toen India voor dezelfde
keuze werd gesteld.
De Zuid-Afrikaanse organisatie Biowatch vindt het Amerikaanse aanbod
een aanfluiting: 'Afrika wordt behandeld als de vuilnisbak van de wereld.
Het geven van niet-geteste voeding en zaden is geen daad van liefdadigheid,
maar een poging om Afrika in een situatie te lokken van nog meer afhankelijkheid
van buitenlandse hulp.' Daarom heeft Zambia de hulp geweigerd, in navolging
van Ecuador, Bolivia, Colombia, Guatemala, Nicaragua en Bosnië,
waar in sommige gevallen de regering werd overgehaald na massale protestacties
op straat. Eerder waren India en Burundi er achter gekomen dat Amerikaanse
voedselhulp genetisch gemanipuleerd was zonder dat het hen was verteld.
Biotechnologie is niets minder dan een nieuwe poging van de agro-industrie
om controle uit te oefenen op de hele voedselketen. De opkomst van genetisch
gemanipuleerde koffie, bedacht en ontwikkeld in de Verenigde Staten,
bedreigt de werkgelegenheid van zestig miljoen koffieplukkers in meer
dan vijftig landen waar al veel werkloosheid heerst. Ook genetisch gemanipuleerde
katoen zal tientallen miljoenen boeren van hun land drijven om plaats
te maken voor uitgestrekte, geautomatiseerde katoenplantages. Waar moeten
deze mensen naartoe? Naar de overbevolkte stad?
Grenzen tussen landen mogen dan zijn opgeheven, de afstand tussen producent
en consument is groter geworden. Een Zweeds onderzoeksinstituut achterhaalde
eens het productieproces van een fles tomatenketchup. De tomaten kwamen
uit Italië. Verpakt in steriele zakken uit Nederland werden ze geëxporteerd
naar Zweden. De flesjes waren geproduceerd in Groot-Brittannië met
materiaal uit Japan, Italië, België en de Verenigde Staten.
Het dopje kwam uit Denemarken Voor het gemak zijn etiketten, lijm en
karton buiten de analyse gehouden, evenals de productie en transport
van kunstmest, bestrijdingsmiddelen en de nodige machines.
Ook de afstand tussen mens en natuur is toegenomen. Industriële
landbouw pleegt een ingrijpende aanslag op het milieu. Dat is begonnen
met de veelbelovende introductie van kunstmest, die na de Tweede Wereldoorlog
menig boer verbaasde met aanmerkelijk hogere opbrengsten. Die jubelstemming
is allang verdwenen. Kunstmest schaadt de vruchtbaarheid van de grond,
verandert het bodemsysteem en vervuilt water en lucht.
Dit is hoe het werkt. Kunstmest bestaat uit stikstof, fosfor en kalium.
In de bodem heeft deze combinatie een versterkend effect op alles wat
leeft van deze drie mineralen. Dat gaat ten koste van de organismen die
andere voedingsbronnen nodig hebben. Het evenwicht in de bodem raakt
verstoord, waardoor vocht en lucht minder goed zijn vast te houden. Daardoor
is meer irrigatie nodig. Het water lekt door de poreuze grond, waardoor
voedingsstoffen geen houvast vinden en wegdrijven. Met minder zuurstof
daalt de groei van de micro-organismen in de bodem en het complexe ecosysteem
van biologische uitwisselingen neemt af. De zuurgraad neemt toe, waardoor
nog meer organisch materiaal afbreekt. Beetje bij beetje slaat water
de vruchtbare toplaag van de bodem weg.
De oplossing die industriële landbouw aandraagt voor het voortdurend
proces van afname van voedingsstoffen in de grond is: meer kunstmest.
Zoiets heet een neerwaartse spiraal. En erger nog: de averechtse effecten
van kunstmest houden niet op bij de grens van de boerderij. Stikstof
komt terecht in het water, maar ontsnapt ook in vluchtige zuurstofverbindingen
in de atmosfeer.
Combineer nu kunstmest met bestrijdingsmiddelen die gewassen moeten beschermen
tegen ziekten, plagen, onkruid en insecten of moeten stimuleren tot snellere
groei. Enthousiast werden - vanaf de jaren vijftig - deze chemische toevoegingen
aangewend. Opnieuw leek het een gouden greep. Boeren waren zo tevreden
dat ze zich toelegden op ØØn enkel gewas, maar kwamen er achter dat daardoor
meer ziekteverwekkers in de bodem konden ontstaan. Meer bestrijdingsmiddelen
luidde het antwoord van de industriële landbouw. Maar de genetische
code van het microleven in de bodem veranderde en ziekteverwekkers werden
resistent voor de middelen. De oplossing? Inderdaad, meer en sterkere
bestrijdingsmiddelen. Opnieuw een neerwaartse spiraal.
En met de bestrijdingsmiddelen
zijn we weer terug bij de verdwijning van de boeren. Ditmaal
erg letterlijk. Deze chemicaliën worden overtuigend aangemerkt
als veroorzaker van hersenbeschadiging, kanker, onvruchtbaarheid,
miskramen, schade aan ogen, huid en luchtwegen, misselijkheid,
longklachten, nierklachten, astma, migraine, concentratieverlies,
aantasting van het immuunsysteem - en nog een hoop andere ernstige
aandoeningen die een mensenleven vernietigen.
Etiketten schrijven beschermende kleding, waterdichte laarzen, handschoenen
en gasmaskers voor, maar in ontwikkelingslanden zijn het ongeschoolde
arbeiders die op blote voeten in lichte kleding dit werk doen. Controlediensten
ontbreken of zijn corrupt. Door overheden zijn deze middelen niettemin
goedgekeurd, doordat wetenschappers in hun laboratoria korte termijn
effecten bij dierproeven in kaart brengen, terwijl de meeste schade wordt
aangericht door continue blootstelling. In Europa en de Verenigde Staten
zijn een aantal van deze middelen verboden. Toch worden ze vanuit deze
landen nog steeds geëxporteerd naar andere landen waar ze kennelijk
geen gevaar vormen.
Kinderen van boeren in de Amerikaanse staat Washington die bestrijdingsmiddelen
op het land gebruiken, hebben een drie tot twintig keer hogere dosis
van die middelen in hun urine dan nog als 'veilig' wordt aangemerkt.
Kanker bij kinderen komt op boerderijen vaker voor dan in de stad. Alleen
al wonen in een omgeving van 2,5 kilometer van bessenvelden in het Amerikaanse
Cape Cod verhoogt voor kinderen het risico op een hersentumor. En hoewel
een relatie natuurlijk niet meteen een oorzakelijk verband betekent,
is het verontrustend dat in laboratoria kankercellen zich sneller vermenigvuldigen
in de aanwezigheid van bepaalde bestrijdingsmiddelen.
Dat waren cijfers voor de Verenigde Staten waar statistieken worden bijgehouden
- zij het over dit thema niet bepaald in overvloed. In ontwikkelingslanden
zijn het vooral alledaagse ontmoetingen en anekdotes die het drama van
de bestrijdingsmiddelen vertellen. Moyra Bremner, auteur van GE: Genetic
Engineering and You, tekende het verhaal op van dorpsbewoners van Kasargod
in India, waar de opkomst van grootschalige, industriële landbouw
zich vertaalde in helikopters die endosulfaan sproeiden over de plantages
van cashewnoten. Kinderen renden hun huizen uit om de onverwachte regen
op te vangen die ook op de bomen, de straat en de huizen viel. Endosulfaan
verstoort de hormoonhuishouding. Twintig jaar later is het dorp een afgrijzenwekkend
voorbeeld van wat bestrijdingsmiddelen kunnen doen. In 183 huizen zijn
279 gevallen van ernstige ziekten. Sinds de helikopters overvliegen,
zijn onvruchtbaarheid, kanker en suïcidale depressies enorm toegenomen.
Kinderen met een waterhoofd, dwerggroei of verstandelijke handicaps zijn
heel gewoon geworden.
Het opvallendst in het dorp waren de fysieke handicaps. Er is het verhaal
bekend van een meisje wier hoofd steeds groter groeide tot het bijna
uit elkaar zou knappen, totdat het opeens kromp en ze een pijnlijke dood
stierf. Een lokale dokter die haar bloed onderzocht, ontdekte dat ze
637 keer meer endosulfaan in haar lichaam had dan was toegestaan. Toch
duurde het vier jaar voor het gif werd verboden.
Bremner vraagt zich af of we nog het recht hebben om onszelf geciviliseerd
te noemen. Goede vraag. Hoe lang kunnen we dit systeem nog blijven volhouden?
Biologische voeding van kleine, lokale boeren is niet langer een keuze
voor luxe, maar een kwestie van leven en dood. Voorlopig is het woord
aan de consument. Waar staat u?
Bronnen: The Ecologist (december 2002/januari 2003), New Internationalist
(januari/februari 2003), Resurgence (januari/februari 2003), Wereldwijd
magazine (november/december 2002), Andrew Kimbrell (red.): Fatal Harvest:
The Tragedy of Industrial Agriculture (Island Press, 2002), Frances Moore
LappØ, Joseph Collins en Peter Rosset: World Hunger: 12 Myths (Grove/Atlantic,
1998).
Marco Visscher
Goed, dus de industriële landbouw
heeft niet goed uitgepakt. Maar wat betekent dat nu voor de
consument? Voor zijn gezondheid en zijn emancipatie?
Hippocrates, grondlegger van de moderne geneeskunde, was nog zo duidelijk,
bijna 2500 jaar geleden: 'Uw voeding is uw geneesmiddel, uw geneesmiddel
is uw voeding.' Intussen wijden artsen-in-opleiding maar een fractie
van hun studie aan voedingsleer. Maar wie de krant openslaat, kan onmogelijk
de berichten missen over de relatie tussen voeding en gezondheid. Kanker,
hartkwalen, diabetes, zwaarlijvigheid, hoge bloeddruk - het zijn Westerse
welvaartsziekten die onomstotelijk 'iets' te maken hebben met voeding.
Wat is er gebeurd? Is het toevallig, dat de epidemie aan welvaartsziekten
samenvalt met de doorbraak van de industriële landbouw?
Nee, niet helemaal, om het op zijn zachtst te zeggen. De mens heeft zo'n
vijftig verschillende mineralen nodig die hij zelf niet kan aanmaken.
Die mineralen moeten dus ergens vandaan komen. Uit de voeding, zou je
denken, zoals dat altijd ging. Maar in de landbouwgrond zijn veel belangrijke
mineralen verdwenen, doordat jarenlang kunstmest is gebruikt. Door kunstmest,
een mengsel van stikstof, fosfor en kalium, raakt het evenwicht in de
bodem verstoord. Gewassen groeien weliswaar, maar die groei gaat ten
koste van belangrijke andere mineralen - zoals magnesium, chroom en selenium.
De Landbouw- en Voedselorganisatie (FAO) van de Verenigde Naties heeft
na een onderzoek in diverse werelddelen geconcludeerd, dat de gangbare
landbouwmethode bijdraagt aan een 'ernstig tekort' aan mineralen.Een
andere recente studie toonde aan dat het gehalte vitaminen en mineralen
in bonen sinds 1985 is gedaald met zestig procent, in aardappelen met
zeventig procent en van appels met tachtig procent. Popeye zou nu tweehonderd
blikken spinazie moeten eten om dezelfde hoeveelheid ijzer binnen te
krijgen als vijftig jaar geleden in ØØn blikje zat.
Voor vitaminen geldt eveneens dat ze in veel mindere mate aanwezig zijn
in groenten en fruit. Bloemkool bevat vijftig procent minder vitamine
C dan in 1963. Het gehalte provitamine A in appels is gedaald met zestig
procent en in broccoli met vijftig procent. Of neem het eiwitgehalte
van granen. In 1900 bestond tarwe voor negentig procent uit eiwit, tegenwoordig
nog voor negen procent. Om de voedingsstoffen binnen te krijgen die vroeger
in ØØn snee brood zaten, zouden we nu tien sneetjes moeten eten.
Doordat planten in de bodem naar voeding zoeken en daar zelden nog nuttige
mineralen vinden, nemen ze zware metalen uit de grond op, zoals aluminium,
kwik en lood. Ons lichaam neemt deze schadelijke stoffen makkelijker
op door een gebrek aan beschermende mineralen. Voor het verlies van voedingsstoffen
krijgen we n†g iets terug, namelijk de sporen van bestrijdingsmiddelen.
Voedselautoriteiten hebben in laboratoria bij zo'n dertig procent van
de groenten en fruit die wij eten resten van landbouwchemicaliën
ontdekt. Het is ook berekend dat mensen in de Westerse wereld jaarlijks
gemiddeld twee kilo aan bestrijdingsmiddelen binnenkrijgen.
Om de zware metalen en residuen van pesticiden te vermijden, is er een
pasklare oplossing: biologische voeding. Biologische boeren gebruiken
geen bestrijdingsmiddelen, kunstmest, antibiotica en andere kunstmatige
toevoegingen. Hun producten hebben doorgaans een hogere voedingswaarde,
hoewel dat geen garantie is, aangezien het bij biologische producten
niet zozeer gaat om wat er in zit, maar eerder om wat er n'et in zit.
Vermoedelijk is de grond bij biologische boerenbedrijven rijker aan diverse
mineralen, nu onderzoeken aantonen, dat biologische voeding aanmerkelijk
minder aluminium, cadmium, rubidium en lood bevat.
Het is geen groot raadsel wie gebaat is bij onwetendheid. De voedingsindustrie
doet er alles aan om haar producten af te zetten. Zout bijvoorbeeld,
is een absolute noodzaak voor het toppunt van industriële voeding:
de kant-en-klare maaltijden. Het verhoogt het gewicht tegen lage kosten,
maakt voedsel smakelijker en - niet onbelangrijk - het maakt mensen dorstig.
Daarom wil de voedingsindustrie wetenschappers en beleidsmakers overtuigen,
dat zout alleen bij een fractie van de bevolking voor een hogere bloeddruk
zorgt, dat zelfs de kleinste afname van zout een gevaar kan zijn voor
de volksgezondheid en dat het voor overheden onmogelijk is daar een eensluidend
advies over te geven. Het Salt Institute, een lobbygroep van zoutfabrikanten,
verspreidt een nieuwsbrief waarin vooral berichten worden opgenomen over
onderzoeken die aantonen, dat zout geen gezondheidsrisico's met zich
meebrengt.
In haar boek Food Politics wijst Marion Nestle, verbonden aan de universiteit
van New York, op de uiteenlopende wijzen waarop de industrie ervoor probeert
te zorgen dat hun belangen via politieke wetgeving en adviezen worden
behartigd. Nestle (geen familie) toont aan dat voedingsdeskundigen al
tientallen jaren achtereen hetzelfde advies geven: eet minder vet, minder
suiker, minder zout. Onder druk van bedrijven - die hun omzetten zien
dalen als er minder wordt gegeten - heeft de voedingsautoriteit van de
overheid dat advies tot consuminderen nooit overgenomen. Terwijl voedingsdeskundigen
zouden zeggen: 'Eet minder rood vlees', beweert de overheid: 'Eet meer
mager vlees'.
De politieke invloed van de industrie reikt tot in de Wereldgezondheidsorganisatie
(WHO). Begin dit jaar lekte een rapport uit naar de Britse krant The
Guardian, waarin werd gesproken van 'buitensporige invloed' van de industrie
op maatregelen die waren bedoeld de volksgezondheid te beschermen door
de hoeveelheden vet, suiker en zout te beperken. Daarvoor zijn wetenschappers
betaald om zich in de media uit te spreken tegen zulke reguleringen.
Verder is geprobeerd om het bedrijfsleven gunstig gezinde wetenschappers
geplaatst te krijgen in commissies van de WHO en de FAO.
Eten zou een kwestie van persoonlijke keuze zijn als mensen die keuze
zouden kunnen maken op basis van goede, betrouwbare informatie. Maar
wie in de supermarkt op de etiketten kijkt, vindt allesbehalve goede,
betrouwbare informatie. Welke fabrikant plaatst de eerste gezondheidswaarschuwingen
op het etiket? Wie zal als eerste aangeven welke landbouwchemicaliën
zijn gebruikt? Voorlopig is ouderwetse misleiding nog de meest treffende
omschrijving voor de informatie op etiketten. Op Kellogg's Smacks wordt
suiker vijf keer onder een andere naam vermeld, zodat het lijkt of suiker
niet het voornaamste ingrediënt is.
Neem de drinkbare Danone-kwark voor kinderen. 'Zonder kunstmatige kleur-,
geur- en smaakstoffen' staat er op de vrolijke verpakking. Maar 'aroma's'
- zoals de kleine lettertjes op de verpakking melden - is gewoon een
andere naam voor de toegevoegde stoffen die er niet in zouden zitten.
'Extra calcium' staat er ook. Klinkt gezond, maar het bedraagt slechts
zes procent van de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid voor kinderen. 'Veel
vers fruit' is ook zo'n mooie aanbeveling. Maar er zit nog minder in
dan een partje banaan. Trouwens, hoe 'vers' kan die banaan nou eigenlijk
zijn?
Onder keuzevrijheid zal ook niet worden verstaan dat de hoeveelheid suiker
langzaam toeneemt in vrijwel alle producten: van babyvoeding en pasta
tot ingeblikte groenten. Suiker heeft vrijwel geen enkele voedingswaarde,
maar het zit bijna overal in. Amerikanen halen gemiddeld een vijfde van
hun calorieën uit suiker, waarvan ze na iedere zestig uur ongeveer
een pond hebben geconsumeerd. Wie kan dat weten wanneer fabrikanten die
informatie niet melden?
Overigens, biologische voeding wordt vooral gesuikerd met appelsap of
maltstroop en biedt daarmee een gezond alternatief. Dat geldt ook voor
zout, dat in biologische voeding vaak is vervangen door minder geraffineerd
zeezout, waarin dus meer bouwstoffen zitten.
Miljarden dollars wordt jaarlijks uitgetrokken voor reclame voor junk
food, mierzoete frisdrankjes en cadeautjes die je bij een happy meal
krijgt. In de Verenigde Staten is het nog maar tien jaar geleden dat
de eerste reclameposter van McDonald's werd opgehangen in een schoolgebouw.
Inmiddels levert de industrie haar producten aan schoolkantines, staan
haar frisdrankautomaten door het hele gebouw en sponsort zij lesprogramma's
- een ontwikkeling die naar de andere kant van de oceaan is overgewaaid.
Mede dankzij die reclamestunts kampen wereldwijd 800 miljoen mensen met
zwaarlijvigheid: evenveel als er iedere dag honger hebben. Fastfood bestaat
vooral uit vet, suiker en zout, hetgeen snelle energie oplevert. Voor
de vertering en opname van deze geraffineerde producten zijn mineralen
en vitaminen nodig die deze producten niet meer bevatten. Het gevolg
is dat ons lichaam zijn reserves moet aanspreken: zo worden bijvoorbeeld
calcium, magnesium en vitamines van de B-groep onttrokken. Met andere
woorden: fastfood voedt ons lichaam niet. Integendeel: het ontrekt juist
energie.
Wetenschappers ontdekken in slechte voeding zelfs een belangrijke veroorzaker
van antisociaal gedrag, zoals agressie, pesten en diefstal. In Amerikaanse
en Britse gevangenissen is aangetoond dat een dagelijkse vitamine- en
mineralensupplementen het gedrag aanmerkelijk kan verbeteren. In beide
onderzoeken kwam naar voren, dat alleen delinquenten die daarv††r slechte
eetgewoonten hadden, van deze benadering profiteerden. Volgens onderzoeker
Bernard Gesch zijn vitaminen en mineralen een 'recept voor vrede'.
Niet alleen wetenschappers, maar ook consumenten beginnen de ongezonde
effecten daarvan te beseffen. Momenteel worden fastfoodketens zelfs voor
de rechter gedaagd (zie kader), omdat ze zonder enige waarschuwing voeding
hebben verkocht die rijk is aan vet, suiker, zout en cholesterol, terwijl
voldoende studies aantonen dat deze voeding de gezondheid bedreigt. Zoals
ook de tabaksindustrie heeft moeten inbinden, wordt nu de voedingsindustrie
nauwlettend gevolgd.
In de oorlogstaal die we van hem gewend zijn, heeft George Bush vorig
jaar een war on fat afgekondigd. Niet alleen de wereld, maar ook het
lichaam zou een slagveld zijn waar een vijand moet worden bestreden.
Rust inbouwen om goed te eten en akkers de tijd te geven zich te herstellen
van een jarenlange gifoorlog, horen niet in die strategie. De vijand
moet te lijf met hightech-snufjes in de vorm van chemische wonderen en
pillen, of met nog meer lichaamsbeweging. Maar vitaminen en mineralen
komen in voeding niet terug als je de hele dag rondjes in het park rent
of als je een pil tegen zwaarlijvigheid inneemt.
Onderdrukking en overheersing werken niet - niet bij de mens en niet
bij de natuur. Die les krijgen we maar niet onder de knie, zo lijkt het.
Maar valt er niets te leren van een land als Cuba, waar een exportboycot
een einde heeft gemaakt aan de industriële landbouw? Sinds biologische
landbouw noodgedwongen het enige alternatief werd, heeft de landbouwgrond
zich snel hersteld. Zo werkt de natuur dus, als je haar de kans geeft.
Misschien goed om even in herinnering te brengen: ons lichaam is ook
natuurš
Bronnen: Adbusters (november/december 2002), Fortune (3 februari 2003),
Goede Waar (januari/februari 2003), The Guardian (9 januari 2003), Medisch
Dossier (maart 2003), Marion Nestle: Food Politics: How the Food Industry
Influences Nutrition and Health (University of California Press, 2002),
Eric Schlosser: Fast Food Nation: The Dark Side of the All-American Meal
(HarperCollins, 2002).
Marco Visscher
Rob Baris, eigenaar van delicatessenzaak
Z&M en het befaamde restaurant Zinc in Rotterdam, is levensgenieter
zonder dogma's. Voor lezers van Ode stippelt hij een actieplan
uit: een menu van heerlijk eten, dat ook nog gezond en sociaal
is.
Boodschappen doen
De eerste stap is om boodschappen te doen bij de
biologische winkel, waar je zult schrikken van de prijzen.
Biologische landbouw is trouwens niet zozeer waanzinnig
duur; industriële landbouw berekent gewoon veel
te lage prijzen. Hoe dan ook zul je moeten beseffen,
dat voeding zo belangrijk is, dat je er een centje
extra voor over moet hebben. Maar wat het allerbelangrijkste
is: je moet van eten genieten. Je kunt nog zulke verantwoorde
maaltijden maken, als je er niet van geniet, heb je
er zelf niets aan. Koop eens een paar mooie kookboeken,
volg eens een kookcursus: genieten van het leven begint
bij het genieten van eten.
Veel mensen eten te veel geraffineerde producten. Witte rijst, bloem,
oliën, zout: alle mineralen worden uit die producten geraffineerd.
We zijn dat gaan doen om die producten langer houdbaar te maken, maar
het is ten koste gegaan van geur en smaak. Zelfs witte rijst in Azië is
sterk geraffineerd - dat heeft het bedrijfsleven erg aangemoedigd. Of
neem zout. Zout is z† geraffineerd dat het overal hetzelfde smaakt. Zout
is gewoon zout. Maar zeezout uit Normandië smaakt anders dan zeezout
uit Italië. Die varianten geven meer betekenis aan je eten en zijn
ook nog veel gezonder, omdat er meer mineralen in zitten.
Graanproducten
Het is erg belangrijk om producten van volle granen te gebruiken.
Een kommetje bruine rijst kan bij ieder gerecht. Maar ook cous-cous
en de tarwe-variant buhur uit het Midden-Oosten is goed. Neem
volkoren, maar het is ook prima om te combineren. Probeer ook
te wennen aan zuurdesembrood. Gist is namelijk een modern industrieel
product, dat - net als zout - overal hetzelfde smaakt en niets
toevoegt. Gist werkt in op de spijsvertering en verarmt onze
darmflora, waardoor we onze voedingsstoffen minder goed kunnen
opnemen. Overigens, je hoeft gist helemaal niet af te zweren,
maar neem je eens voor om iedere week ØØn keer zuurdesembrood
te kopen.
Peulvruchten
Witte, bruine, zwarte bonen, kikkererwten, linzen:
ze bieden proteïnen, waardoor je zonder vlees kunt.
Peulvruchten zijn eigenlijk onmisbaar in de dagelijkse
maaltijd. En het aardige is, dat peulvruchten een oude
cultuur hebben: Noord-Afrika, Midden-Oosten, Zuid-Europa.
Het is heel aardig om culturele gerechten uit die streken
te maken.
Groenten en fruit
Na granen en peulvruchten zijn groenten het
derde belangrijke ingrediënt in een dagelijkse
maaltijd. Gekookt of gebakken, maar probeer ze
ook eens rauw of gedroogd in de zon. Probeer
je te houden aan de seizoenen. Dat geldt ook
voor fruit, dat ik trouwens zelf een beetje overschatte
voeding vindt. Zeker als fruit van heel ver komt,
onrijp is geplukt, wekenlang op een boot heeft
gelegen: tjaš
Zuivel
Zuivel is - net als fruit - secundaire
voeding. Het kán, maar hoeft
niet per se - ook al heb je misschien
duizend keer gehoord dat 'melk moet'.
Melk is een wondermiddel, waar je enorm
van groeit. Daarom is melk belangrijk
voor baby's, maar voor volwassenen
is het eigenlijk onnatuurlijk om melk
te drinken - zeker in de hoeveelheden
waarin dat gebeurt. Zuivelproducten
plegen bovendien een aanslag op de
spijsvertering. Je kunt dan beter biologische
zuivelproducten gebruiken. Maar probeer
ook iets creatiever te zijn en iets
anders te verzinnen dan de dagelijkse
boterham met kaas en het glaasje melk
er bij.
Vlees
Begin ook vlees te minderen. Vlees
is helemaal niet nodig om iedere dag
op je bord te liggen. Van mij hoeft
niemand vegetariër te worden -
ik ben het zelf niet eens - maar áls
je vleeseter bent, let er dan op dat
je biologisch vlees eet. Dieren bij
de groene slager worden geslacht, hebben
nooit slechte diervoeding gehad en
dus ook geen antibiotica. Het terugdringen
van je vleesconsumptie en andere dierlijke
producten als melk, kaas en eieren
is een goede stap om de ongelijkheid
in de wereld terug te dringen. Veel
ontwikkelingslanden produceren sojaproducten
dat in het Westen wordt verwerkt in
diermeel, terwijl ze hun vruchtbare
grond wel voor iets beters kunnen gebruiken.
Vis
Zelf hou ik wel van een visje,
maar de industriële visvangst
is natuurlijk uiterst dubieus. Er wordt
zo veel gevist, dat het ecologische
evenwicht ernstig is verstoord. Daarom
wordt veel vis gekweekt, maar de technieken
die ze daarbij gebruiken, zijn al evenmin
verantwoord op ecologisch en sociaal
gebied.
En verderš
En verder? Koop meerdere soorten
oliën en let er op dat ze niet-geraffineerd
zijn, dan smaken ze beter. Overigens
is geraffineerde olie weer prima om
in te bakken. Verder hou ik erg veel
van zeewier - dat zit boordevol mineralen.
Je kunt het prima gebruiken in soepen,
maar zeewier is ook heel lekker in
een eenvoudige salade. En wilde planten
vind ik ook erg leuk: paardebloem of
wilde roquet - al is dat misschien
iets voor gevorderden. Wilde planten
geven een heerlijke rijkdom aan je
etenš anders worden wij mensen nog
de kasplantjes die wij eten.
Marco Visscher
De boodschappenlijst die de wereld
vooruit helpt, loopt onder meer langs lokale, biologische boeren,
fair-trade-producten en vitaminesupplementen. Enkele ingrediënten
van een actieplan.
Lokale voeding
Verse, lokale seizoensvoeding beperkt de milieukosten
vanwege transport en is goed voor de lokale economie.
Lokale markten geven boeren de kans om verschillende
gewassen te verbouwen, zodat ze monocultuur vermijden
en daarmee de biodiversiteit stimuleren. Rechtstreeks
kopen van de boer versterkt de band tussen producent
en consument - en is voor beide leuk.
Eerlijke handel
Fair-trade-producten zijn verhandeld op basis van een eerlijke prijs
voor producenten in ontwikkelingslanden. De producten zijn te koop in
wereldwinkels, maar ook in supermarkten. Het keurmerk van Max Havelaar
garandeert dat de voorwaarden voor eerlijke handel zijn nageleefd.
Biologische voeding
Biologische landbouw maakt geen gebruik van bestrijdingsmiddelen,
kunstmest, antibiotica en andere kunstmatige toevoegingen. Deze
landbouwmethode is beter voor de bodemkwaliteit, het milieu en
de gezondheid van boeren en consumenten. Biologische producten
hebben een hogere voedingswaarde. Biologische voeding, te herkennen
aan het Eko-keurmerk, is te koop bij natuurvoedingszaken en bij
veel supermarkten. Ook het Demeter-keurmerk is daar op etiketten
te vinden. Dit geeft aan dat producten zijn verbouwd op biologisch-dynamische
(bd) wijze.
Slow Food
Het recht op genieten wordt verdedigd door Slow Food,
een internationale organisatie die in Italië is
ontstaan en inmiddels in meer dan vijftig landen zo'n
vijftigduizend leden heeft van topkoks tot liefhebbers
van lekker eten. Slow Food stimuleert diversiteit aan
smaken, authentieke productiewijzen en kleinschalige
productie. De organisatie wil lokale eettradities bewaren.
Slow Food Nederland, contactpersoon Roel van Kollem, Postbus 2695, 1000
CR Amsterdam, telefoon 020 668 1158, roelvk@xs4all.nl, www.slowfood.nl.
Vitaminen en mineralen
Ieder mens heeft vitaminen en mineralen nodig. Die zitten
doorgaans in voedsel, maar doordat de landbouwgrond steeds minder
voedingswaarde bevat, kan het raadzaam zijn vitamine- en mineralensupplementen
te nemen. Het is mogelijk om bij een aantal laboratoria te onderzoeken
welke vitaminen en mineralen u nodig heeft. Gebruik geen willekeurige
supplementen, want meer is niet altijd beter. Bedenk ook dat
de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid (ADH) niet voor ieder lichaam
dezelfde is. Extra mineralen kunt u sowieso gebruiken, omdat
u ervan uit kunt gaan, dat u niet voldoende magnesium en zink
binnenkrijgt.
Abonnement op lekker eten
Odin biedt in Nederland abonnementen op groenten
en fruit aan. Wekelijks halen abonnees een tas met verse
producten af bij hun natuurvoedingszaak. In de tas zit
ook een nieuwsbrief met daarin recepten en informatie
over de herkomst van de producten. Het abonnement is
een belangrijke steun voor de biologische landbouw in
Nederland en de zelfstandigheid van biologische boeren.
Odin, Postbus 225, 4190 CE Geldermalsen, telefoon 0345 577 133, info@odin.nl, www.odin.nl.
Betrokken bij boeren
Nederland kent enkele Pergola-associaties, waarbij een biologische
boer een overeenkomst sluit met een groep mensen die betrokken willen
zijn bij de boerderij. Zo is de boer verzekerd dat zijn biologische producten
worden afgezet. Consumenten kunnen op het land helpen of bijdragen in
de planning of distributie. Het Pergola-model wordt in diverse Europese
landen toegepast, maar vooral in de Verenigde Staten. In Nederland zijn
Pergola-associaties opgericht door Aktie Strohalm.
Pergola Steunpunt, p/a Stichting Aktie Strohalm, Oudegracht 42, 3511
AR Utrecht, telefoon 030 2314 314, info@strohalm.nl, www.strohalm.nl/pergola.
Vrij van gentech
Aan genetische manipulatie van voedingsgewassen zitten risico's
voor milieu en gezondheid. Goede Waar & Co., de nieuwe naam
voor de Alternatieve Konsumentenbond, informeert over deze risico's
en heeft een 'zwarte lijst' opgesteld van producten waar biotechnologie
is toegepast.
Goede Waar & Co., telefoon 020 686 3338, goedewaar@xs4all.nl, www.goedewaar.nl/gentech.asp.
Steun
Fairfood wil binnen Europa overheden en ondernemingen wil aanspreken
op het mensenrecht op voeding, zoals vermeld in artikel 25 van de Universele
Verklaring van de Rechten van de Mens. De EU zou volgens Fairfood bijvoorbeeld
beperkingen kunnen invoeren voor handel in 'hongervoedsel': voedsel dat
is bestemd voor het Westen, dat in het land van herkomst honger creëert.
Fairfood, Postbus 59663, 1040 LD Amsterdam, telefoon 020 6188 062, info@fairfood.org, www.fairfood.org.
Food First is een progressieve denktank uit de Verenigde Staten, die
een einde wil maken aan armoede en honger door het Westerse handels-
en landbouwbeleid te hervormen en oplossingen voor voedselvraagstukken
te formuleren. Food First organiseert onder meer acties en geeft ook
boeken uit.
Food First, 398 60th Street, Oakland, CA 94608, Verenigde Staten, telefoon
+1 510 654 4400, foodfirst@foodfirst.org, www.foodfirst.org.
Het Honger Project, de Nederlandse afdeling van The Hunger Project, wil
een einde maken aan de honger. Daarvoor betrekt het lokale bevolkingen
in ontwikkelingslanden, omdat de mensen zØlf creatief genoeg zijn om
'auteurs van hun eigen ontwikkeling' te worden. Het Honger Project doet
dus uitdrukkelijk niet aan liefdadigheid, maar aan versterking van de
zelfstandigheid van mensen die dagelijks honger lijden.
Het Honger Project Nederland, Postbus 22, 1400 AA Bussem, info@hongerproject.nl, www.hongerproject.nl.
V'a Campesina is een internationaal verbond van miljoenen kleine en middelgrote
boeren, voornamelijk uit ontwikkelingslanden. De organisatie bevordert
solidariteit tussen boeren die op de wereldmarkt gedwongen worden met
elkaar te concurreren. V'a Campesina vindt dat een land eerst voldoende
voedsel moet kunnen distribueren onder zijn eigen bevolking, voordat
het landbouwgrond openstelt voor buitenlandse agro-bedrijven.
V'a Campesina, Colonia Alameda, Casa #2025, 11 Calle, 3 y 4 Avenidas,
Tegucigalpa, Honduras, telefoon +504 239 4679, viacam@gbm.hn, www.viacampesina.org.
Marco Visscher
| Mythe
1: Industriële landbouw zal honger
beëindigen |
|
Niet waar, want: honger wordt niet
veroorzaakt door gebrek aan voedsel, maar door armoede. Sterker
nog, industriële landbouw verhoogt de kosten voor boeren,
stimuleert het verbouwen van exportgewassen en verdrijft boeren
in ontwikkelingslanden van hun land.
Honger treft zo'n 800 miljoen mensen. In India hebben 200 miljoen mensen
iedere dag honger, in Brazilië 70 miljoen en ook in de Verenigde
Staten worden 33 miljoen mensen gerekend tot 's werelds hongerlijders.
Om de vier seconden sterft iemand op de wereld aan de gevolgen van ondervoeding.
Vaak wordt gezegd dat honger het gevolg is van een tekort aan voedsel
in de wereld. Maar er is meer dan voldoende voedsel, ††k in de landen
waar honger heerst. Ieder jaar wordt voldoende tarwe, graan en rijst
geproduceerd om elke wereldburger dagelijks van 3500 calorieën te
voorzien. In feite wordt voldoende voedsel geproduceerd om iedereen dagelijks
2,5 pond graan, bonen en noten te verstrekken, ØØn pond fruit en groenten,
en nog een kleine pond aan vlees, melk en eieren.
Westerse agro-bedrijven hebben vruchtbare grond opgekocht voor de productie
van gewassen die zijn bestemd voor de export - en zo gaat dat nog steeds.
Wereldwijd zijn tientallen miljoenen boeren van hun land verjaagd, waardoor
hun families en gemeenschappen in armoede zijn gestort en waardoor zij
geen voedsel meer voor zichzelf konden produceren. Verjaagd van hun land
zoeken families het geluk in de steden, waar ze veelal in sloppenwijken
belanden en - áls ze al werk vinden - slecht betaald worden.
Niet alleen in de steden, maar ook in de landelijke gemeenschappen zorgt
industriële landbouw voor armoede. Vanwege chemische toevoegingen,
technologische uitvindingen en gepatenteerde zaden zijn de kosten voor
boeren enorm gestegen, terwijl ze niet meer krijgen betaald voor hun
producten. Veel boeren hebben dramatische schulden opgebouwd en in diverse
landen is een opmerkelijk hoog aantal gevallen van zelfdoding onder boeren
geconstateerd.
De multinationale ondernemingen die het land hebben overgenomen, produceren
die gewassen die hoogste winsten opleveren. En dus wordt niet voedsel
geproduceerd voor de mensen in de regio, maar gewassen als katoen, sojabonen,
koffie en bloemen - inderdaad, voor de export. Basisvoedsel wordt verbouwd
op minder vruchtbare grond en de honger neemt toe. Tussen 1970 en 1990
- tijdens de opkomst van industriële landbouw - is in ieder land
behalve China het aantal hongerige mensen gemiddeld toegenomen met elf
procent.
Om honger te bestrijden, zijn economische hervormingen nodig. Voedselonafhankelijkheid
moet daarbij voorop staan. Dat betekent: herverdeling van land, productie
voor eigen familie en gemeenschap en stimulering van duurzame en betaalbare
landbouwmethoden.
Deze mythe en de mythen die hierna volgen, zijn ontleend aan Andrew Kimbrell
(red.): Fatal Harvest: The Tragedy of Industrial Agriculture (Island
Press, 2002), een boek dat een sterke aanbeveling waard is. Fatal Harvest
bevat tal van inspirerende essays over de industriële landbouw en
de alternatieven. Gastschrijvers zijn onder meer schrijver Wendell Berry,
criticus Jerry Mander en milieuactiviste Vandana Shiva. De teksten gaan
vergezeld van prachtige foto's. Het boek is te bestellen via www.islandpress.com.
Marco Visscher
| Mythe
2: Industriële voeding is veilig,
gezond en voedzaam |
|
Niet waar, want: industriële
landbouw laat schadelijke bestrijdingsmiddelen achter in groenten
en fruit met, maakt boeren en consumenten ziek en voegt antibiotica
en groeihormonen toe. Sterker nog, door industriële landbouw
nemen voedselveiligheid en voedingswaarde af en nemen ziekten
als kanker, hartkwalen en zwaarlijvigheid toe.
Een rondgang door de supermarkt voedt het geloof, dat er niets mis is
met onze voeding. De appels glimmen, er zit geen rotte plek op de tomaten,
er staan mooie, kleurrijke foto's op de verpakkingsmaterialen van chocoladekoeken
of de potten jam. Het lijkt er op dat er geen betere plaats is waar je
zo veel veilig - en zelfs gezond - voedsel kunt kopen.
Maar dan enkele cijfers van Amerikaanse autoriteiten. Volgens de Food
and Drug Administration (FDA) zijn ten minste 53 veel voorkomende bestrijdingsmiddelen
geclassificeerd als kankerverwekkend. Vijf jaar geleden trof de FDA resten
van bestrijdingsmiddelen aan op 35 procent van het voedsel dat werd getest.
Volgens de Environmental Protection Agency zijn veruit de meeste gebruikte
bestrijdingsmiddelen onvoldoende getest, zeker in combinatie met elkaar.
Het is onbekend wat het effect is op ongeborenen, kinderen, zwangere
vrouwen en ouderen.
Boeren ondervinden nog de meeste gezondheidsklachten door de bestrijdingsmiddelen.
Amerikaanse boeren die met chemische herbiciden werken, lopen zes keer
meer kans dan anderen op non-Hodgkins lymfoma, een bepaald type kanker.
Kinderloosheid komt bij Nederlandse boeren vier keer vaker voor dan bij
andere Nederlandse mannen.
In ontwikkelingslanden zijn de effecten veel heviger. Vanwege de - vaak
- minder vruchtbare grond en slechte controle, worden chemische toevoegingen
in de landbouw op veel grotere schaal ingezet. Bestrijdingsmiddelen worden
in verband gebracht met geboorteafwijkingen, onvruchtbaarheid, gedragsstoornissen,
verzwakte immuunsystemen en genetische veranderingen in de DNA-structuur.
Slechts weinig van de boeren die koffie, thee of chocolade produceren,
worden vijftig jaar. Kinderen zijn extra gevoelig voor de middelen die
veelal in de lucht blijven hangen. Hun uithoudingsvermogen en coördinatievermogen
nemen af, hun geheugen functioneert slechter en ze zijn vaker ziek en
gaan jonger dood.
Volgens de Centers for Disease Controle is in de Verenigde Staten het
aantal aan voedsel gerelateerde aandoeningen sinds 1970 meer dan vertienvoudigd.
Die toename wordt vooral toegeschreven aan de industrialisatie van de
veehouderij. Dieren worden opeengepakt, wat leidt tot ziekte onder de
dieren - en uiteindelijk onder mensen. Het intensieve gebruik van antibiotica
en groeihormonen zorgt ervoor dat ziekteverwekkers resistent worden en
dat residuen hun weg vinden in het voedsel.
Andere ziekten hebben te maken met de kunstmest die wordt gebruikt. Kunstmest
voegt stikstof, fosfor en kalium toe aan de grond. Maar gewassen hebben
meer mineralen nodig dan deze drie. Omdat de grond daardoor uitput en
boeren niet ook andere mineralen aan de grond teruggeven, is de voedingswaarde
van landbouwproducten de afgelopen decennia drastisch verminderd. Daarom
komen steeds meer ziekten voor die worden veroorzaakt door tekorten aan
mineralen: kanker, hartaandoeningen, type II diabetes, zwaarlijvigheid.
Voeg daarbij de groei van junk food en voorverpakte, ingevroren maaltijden
- industriële voeding bij uitstek - en de relatie tussen voeding
en moderne ziekten is overduidelijk.
Een veilige voedselvoorziening is gebaseerd op biologische landbouw die
de juiste voedingsstoffen aan de grond levert. Veilige en gezonde voeding
betekent ook betere omstandigheden voor dieren.
Marco Visscher
| Mythe
3: Industrieel voedsel is goedkoop |
|
Niet waar, want: sociale kosten
en de kosten van schade aan milieu en gezondheid worden niet
in de prijs doorberekend. Sterker nog, door industrieel voedsel
nemen deze kosten aanmerkelijk toe. Zelfs komende generaties
zullen nog een prijs voor dit voedsel moeten betalen.
Hoe meer technologie en chemicaliën worden toegevoegd aan landbouwmethoden,
hoe goedkoper onze voeding. Dat zegt de voedingsindustrie telkens weer.
Zonder industriële landbouw zou voeding onbetaalbaar worden. Maar
de prijs op het bonnetje in de supermarkt negeert dat allerlei kosten
niet worden doorberekend. De prijs van voeding negeert bijvoorbeeld de
kosten aan belastingen, medische voorzieningen, en schoonmaakacties voor
chemicaliën.
De schade aan het milieu is de voornaamste blinde vlek in de prijsbepaling.
Het intensieve gebruik van bestrijdingsmiddelen en kunstmest vervuilt
grond, water en lucht. Vervuiling wordt ook veroorzaakt door transportkosten.
Als ijsbergsla van Groot-Brittannië naar de Verenigde Staten wordt
overgevlogen, is er 127 calorieën energie voor de brandstof van
het vliegtuig nodig om ØØn calorie sla te exporteren. Dan wordt het energieverslindende
proces van verpakken, koel houden en distributie binnen de landen niet
eens meegerekend.
Intussen jaagt industriële voeding de gezondheidszorg op kosten
(zie Mythe 2). Ook die kosten zijn niet in de prijs doorberekend. Dat
kan ook niet, want er bestaat geen prijskaartje van de pijn van tientallen
miljoenen mensen die kanker of een hartkwaal hebben opgelopen vanwege
hun voeding. Of neem de arbeidsongevallen in de agrarische sector. Terwijl
in het Amerikaanse bedrijfsleven gemiddeld 4,3 mensen per honderdduizend
werknemers overlijden vanwege hun werk, ligt dat cijfer voor boeren en
vissers zes keer hoger.
Dan zijn er nog de sociale kosten vanwege het verdwijnen van boerenbedrijven.
De zes landen van de EEG (Frankrijk, Duitsland, Italië, Nederland,
België en Luxemburg) die het Gemeenschappelijke landbouwbeleid introduceerden,
hadden in 1957 nog 22 miljoen boeren; tegenwoordig zijn dat er nog 7
miljoen. In iets meer dan vijftig jaar tijd heeft Canada driekwart van
zijn boerenbedrijven moeten sluiten - de meeste waren familiebedrijven.
Daardoor zijn gemeenschappen economisch zwakker geworden. De huidige
prijs van voeding bevat niet de kosten voor sociale zekerheid en andere
overheidsuitgaven om deze ex-boeren in leven te houden.
Belastingbetalers in Europa, de Verenigde Staten en Japan draaien op
voor miljarden aan subsidies voor industriële landbouw, inclusief
haar prijsondersteuning en productpromotie. Amerikaanse belastingbetalers
hebben bijvoorbeeld 1,6 miljoen dollar besteed, zodat McDonald's zijn
Chicken McNuggets in Singapore kon aanprijzen.
Wat veel van deze kosten kan besparen, is biologische landbouw. Wanneer
het gebruik van bestrijdingsmiddelen en kunstmest wordt afgezworen, zal
dat de schade aan milieu en gezondheid drastisch verlagen. Kleinschalige
boerenbedrijven herstellen de economie in landelijke gemeenschappen en
creëren werkgelegenheid.
Marco Visscher
| Mythe
4: Industriële landbouw is efficiënt |
|
Niet waar, want: kleinschalige boerderijen
produceren meer landbouwproducten per hectare. Sterker nog,
grote boerderijen met minder diversiteit hebben meer technische
en chemische toevoegingen nodig. Dat is schadelijk voor het
milieu.
Hoe groter een boerderij, hoe efficiënter, beweren voorstanders
van industriële landbouw. En hoewel wordt toegegeven dat grootschalige
boerderijen het verlies van familiebedrijven en landelijke gemeenschappen
betekent, houden ze voet bij stuk dat dit nu eenmaal het onvermijdelijke
gevolg is van efficiënte voedselproductie. Ze gaan zelfs verder
en ridiculiseren kleinschalige boerderijen als hoogst inefficiënt
en ouderwets. Door 'megatechnologie' te introduceren in de industriële
landbouw, wordt dat beeld versterkt.
Maar bigger is better mag dan nog zo prettig rijmen, juist is het niet.
Talrijke studies tonen aan dat kleine boerderijen in feite efficiënter
zijn dan grote, industriële boerderijen. Als boerderijen groter
worden, stijgen namelijk ook de productiekosten per eenheid, omdat grotere
oppervlakten duurdere machines vereisen en meer chemische toevoegingen
om de gewassen te beschermen. Die werkwijze tast de bovengrond aan, de
meest vruchtbare aarde. In Europa en de Verenigde Staten verdwijnt de
bovengrond zeventien keer sneller dan de natuur haar kan aanmaken.
Grootschalige, industriële landbouw betekent vaak het aanleggen
van een monocultuur van ØØn enkel gewas. Dat ondermijnt de genetische
zuiverheid van gewassen, waardoor ze meer ontvankelijk worden voor ziekten.
Daarom hebben de gewassen meer bestrijdingsmiddelen nodig om evenveel
te kunnen opleveren - een klassiek geval van de wet van de verminderde
meeropbrengst.
Dat groter gelijkstaat aan efficiënter, komt mede door een definitieprobleem.
De 'opbrengst' kan worden opgevat als de productie per hectare per gewas.
Een graanboer wordt dus beoordeeld op hoeveel ton graan hij produceert
per hectare. De hoogste opbrengst van een enkel gewas als graan kan -
inderdaad - het beste worden bereikt door het op grote, industriële
schaal te planten in een monocultuur die eenvoudig is te behandelen met
zware machines en intensief gebruik van chemicaliën. Kleine boerderijen
kunnen hiermee nauwelijks concurreren.
Maar. Kleinschalige boeren zijn geneigd om verschillende gewassen tegelijk
te verbouwen. Daardoor kunnen in de lege ruimten waar op akkers met monoculturen
anders onkruid groeit, andere gewassen groeien. Ze zullen ook eerder
gewassen laten rouleren per seizoen of combineren met veehouderij, zodat
de mest de vruchtbaarheid van de grond kan aanvullen. Zo bezien produceren
kleinschalige boeren veel meer per eenheid dan grootschalige. Hoewel
de opbrengst per gewas lager mag zijn, is de totale opbrengst per hectare
aanzienlijk hoger.
Dat wordt ook erkend door verschillende overheidsrapporten. Kleinschalige
boerderijen produceren zo'n twee tot tien keer meer per hectare dan grotere.
De kleinste boerderijen (27 hectare of kleiner) uit een onderzoek van
de Amerikaanse overheid, zijn meer dan tien keer zo productief dan de
grootste (6000 hectare of meer) en extreem kleine boerderijen (tot 4
hectare) kunnen meer dan honderd keer zo productief zijn. Efficiënte
landbouw is dus gebaseerd op kleinschaligheid.
| Mythe
5: Industriële voeding biedt meer
keuze |
|
Niet waar, want: de supermarkt biedt
alleen de illusie van keuze. Sterker nog, industriële
landbouw heeft het tragische einde ingeluid voor duizenden
soorten gewassen. Bovendien: wat valt er te kiezen als etiketten
niet aangeven welke bestrijdingsmiddelen zijn gebruikt en of
ingrediënten genetisch zijn gemanipuleerd?
Dankzij industriële voeding is er eindelijk veel meer keuze, wordt
gezegd. Want dankzij industriële landbouw zijn geografische en klimatologische
beperkingen opgeheven. Lopend achter het winkelwagentje zou je bijna
meegaan in dit verhaal. Maar de diversiteit aan merken is niet een reflectie
van biologische diversiteit. In feite zijn slechts negen gewassen verantwoordelijk
voor driekwart van de planten die mensen wereldwijd consumeren. Jaarlijks
worden duizenden nieuwe voedselproducten op de markt gebracht, maar zij
bieden niet werkelijk een extra keuze voor consumenten, omdat ze verhullen
dat we in feite iedere dag dezelfde ingrediënten tot ons nemen.
Industriële landbouw heeft een voorkeur voor een handvol gewassen
die hun efficiëntie hebben bewezen bij het oogsten, behandeling
en verpakking. Neem een appel. Het hele jaar door ligt de 'verse' Red
Delicious in de supermarkt. Dat is te danken aan het industriële
proces. Maar we hadden kunnen genieten van duizenden verschillende soorten
appels als ze niet vanwege diezelfde industriële landbouw waren
verdwenen. Twee soorten appels nemen nu meer dan vijftig procent van
de beschikbare appels in de supermarkt voor hun rekening. Honderden soorten
sla zijn in de Verenigde Staten verdwenen, opdat ijsbergsla nu 73 procent
van het totale sla-aanbod inneemt.
Volgens de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) van de Verenigde Naties
is in de afgelopen eeuw meer dan driekwart van de agrarische diversiteit
verloren gegaan. Dat is nog een voorzichtige schatting. Onderzoek toont
aan dat tussen 1903 en 1983 bijna 93 procent van de soorten sla zijn
verdwenen, 95 procent van de tomaten, 96 procent van de maïs en
98 procent van de asperges.
De keuze wordt verder beperkt door de gebrekkige informatie op etiketten.
Het is voor consumenten erg lastig om te achterhalen hoe en waar het
voedsel is geproduceerd. Er bestaan in diverse landen wel keurmerken
die aangeven wanneer het biologisch is, maar nooit staat aangegeven welke
bestrijdingsmiddelen en andere chemicaliën zijn gebruikt en of er
resten daarvan zijn achtergebleven. De Europese Unie heeft haar maatregelen
genomen om etikettering van genetisch gemanipuleerde gewassen verplicht
te stellen, maar de Verenigde Staten blijft nog altijd druk uitoefenen
om daarvan af te stappen. De vraag wie het meest gebaat is bij deze gebrekkige
informatie is gemakkelijk te beantwoorden.
Echte keuze voor consumenten wordt bereikt door lokale, biologische boeren
te ondersteunen. Zij bezitten de generaties oude kennis van unieke lokale
gewassoorten met hun eigen, unieke smaak.
Marco Visscher
| Mythe
6: Biotechnologie lost de problemen
van industriële landbouw op |
|
Niet waar, want: biotechnologie
biedt geen antwoord op deze problemen. Sterker nog, biotechnologie
is slecht nieuws voor hongerbestrijding, voedselveiligheid,
biodiversiteit en boeren die zelfvoorzienend willen werken.
Het geloof in de zegeningen van industriële landbouw is gebaseerd
op een blind vertrouwen in technologie. De scheurtjes in het 'succesverhaal'
van industriële landbouw eisen een oplossing voor de problemen en
die oplossing is š meer technologie. Om precies te zijn: biotechnologie.
Biotechnologie heeft gezorgd voor zaden die resistent zijn voor middelen
die onkruid verdelgen. Monsanto heeft onder de naam Roundup Ready zaden
op de markt gebracht die resistent zijn voor hun herbicide, Roundup.
Deze zaden - gewoonlijk sojabonen, katoen of koolzaad - geven boeren
een vrijbrief om het bestrijdingsmiddel in grote hoeveelheden te gebruiken;
het tast het gewas immers niet aan. Monsanto en andere bedrijven produceren
ook zaden - maïs, aardappelen en katoen - die zodanig zijn bewerkt
dat iedere plant zijn eigen insecticide produceert.
Biotechnologie kan een einde maken aan de honger in de wereld, zo gaat
een bekende aanprijzing. Om twee redenen klopt dat niet. Ten eerste omdat
al voldoende voedsel wordt geproduceerd om de wereldbevolking te voeden
(zie Mythe 1) en ten tweede omdat de zaden die met biotechnologie zijn
bewerkt, niet meer opbrengst leveren. Bestudering van ruim achtduizend
veldonderzoeken leerde dat Roundup Ready minder sojabonen opleverde dan
vergelijkbare natuurlijke variaties.
Biotechnologie kan de honger zelfs versterken. Vanwege patenten op genetisch
gemanipuleerde 'terminator-technologieën', die zaden na een oogst
steriel maken, hebben boeren er niets meer aan om hun zaden te bewaren,
zoals ze eeuwenlang hebben gedaan, maar moeten ze ieder seizoen opnieuw
zaden kopen van het biotechbedrijf. Wetenschappers zijn er nog niet uit
of genen die zorgen voor steriliteit kunnen overwaaien naar andere velden,
waardoor ook andere gewassen onbedoeld steriel worden.
Biotechnologie bedreigt het milieu. Het is aangetoond dat het loslaten
van enkele genetisch gemanipuleerde vissen de soort binnen enkele generaties
met uitsterven bedreigt. Verder is gebleken dat het stuifmeel van GM-maïs
fataal kan zijn voor de insecten die zorgen voor verdere groei. Bovenal
is nog veel onduidelijkheid over de effecten van biotechnologie. Zaden
kunnen overwaaien en andere gewassen besmetten, ze kunnen muteren en
nieuwe combinaties maken met andere planten. Het kan gaan om onomkeerbare
schade aan het milieu.
GM-voeding bevat niet alleen minder voedingswaarde, maar kan ook oude
en nieuwe allergenen bevatten, die bij consumenten ernstige gezondheidsklachten
kunnen oproepen. De gezondheidsrisico's worden genegeerd door de Amerikaanse
overheid die geen standaard heeft gesteld voor het testen en etikettering
niet verplicht.
Om veilig en gezond voedsel dichter bij te brengen, zou biotechnologie
aan banden moeten worden gelegd, omdat deze nieuwe agrarische industrie
nog geen enkel product heeft voortgebracht dat de mens of de natuur dient.
Voorlopig is verplichte etikettering wel het minste wat overheden kunnen
doen om consumenten keuze te bieden.
Marco Visscher |